TunesiŽ

Ongelooflijk avontuur  in gelovig land...

 

SOUSSE - Voor het eerst naar TunesiŽ. Een ander land, andere gewoontes. Het jachtige bestaan van de Westerling wordt meteen de kop ingedrukt, mede door de verzengende hitte. 

Dat begint al op Monastir, de plaats waar geland wordt. Het wachten op de papierhandel duurt lang. Veranderen van rij helpt niet. Sterker: de agent achter de balie is kennelijk met privť-zaken bezig want hij schiet geen meter op. Het plafond op het vliegveld dient nog gemaakt te worden. Zal ook wel lang duren. Het land is duidelijk in opbouw. TunesiŽ lonkt naar het westen maar de weg is nog lang. We kozen voor Appart Hotel Sindbad Center (alleen al om de naam) in een volgens de reisbeschrijving Ďrommelige omgevingí. Dat klopt helemaal. De weg naar Sousse en Hammam Sousse, onze bestemming. Je kijkt je ogen uit. Alles wat rijden kan rijdt hier op de weg. Het hotel ziet er van buiten wel aardig uit maar eromheen (geen asfalt maar afvalwegen) is het een zooitje: zwerfvuil, zwerfkatten en zwervers. Voor het hotel ligt een braak liggend stuk grond. Er wordt veel gebouwd maar niets komt af. Maar met een hamer en een paar man begin je ook niet veel.  Aan de overkant van de drukke weg, bij het strand, zijn strohutjes. Op een kruispunt is een politiepost ingericht, bestaand uit een tent, een telefoon en een bed. Af en toe het verkeer regelend van onder een grote parasol. Je waant je terug in de tijd. Een koelkast wordt vervoerd met paard-en wagen. Bussen rijden er wel maar je weet niet waarheen. De trein rijdt dwars over een terras. Welkom in een andere wereld. 

      

 

TunesiŽ is voor Oosterse begrippen een gematigd islamitisch land. Het geloof is er niet zo streng. Toch zijn er regels waar je je als Westerling maar beter aan kan houden. Ondanks dat de toerist heilig is. Zo mag je gebouwen waar een vlag op staat niet fotograferen. Gesluierde vrouwen evenmin. Maar aan de andere kant: alles kan en mag. Niemand stopt voor een rood verkeerslicht. Wij ondervinden dat lijfelijk aan de voeten als we een zebrapad willen oversteken en we bijna van de sokken worden gereden door een politieman (!). Tja, en wat zijn hier de regels eigenlijk? De opgehaalde vuilnis wordt langs de weg gedumpt. Ik zie een man die een lege colafles zo uit de auto gooit. Het hotel is redelijk. Dat is nog positief uitgedrukt. Zo moet je de klep vasthouden bij het plassen op de wc en de hele wc-pot wordt bijna per ongeluk gesloopt. Het gebrek van de klep blijkt een fabrieksfout. Heel TunesiŽ heeft er last van. Een Groninger boer die we tegenkwamen heeft dit even nagevraagd, in onvervalst plat Gronings nog wel. Het kraanwater is of geel gekleurd of je hebt geen water. Mieren lopen door de kastÖ. 

Ach, maar het zonnige strand maakt veel goed. Er is een speciaal strand voor de hotelgasten. Met gratis parasol. Alleen een tapijtenverkoper doet denken aan een Tunesisch strand. Ze lopen hier met van alles te venten. (bananen, kranten, meloen, enz.)  Het water is als een Turks stoombad, gewoon warm. We worden aangevallen door zeewier-bijtende-planten en er zijn kwallen. Er is verder weinig te beleven op het strand. Het FŤte de la Mer blijkt slechts een grote barbecue. Je kunt evenwel met de kamelenkaravaan mee. Dat gaat dan in optocht (met ezels, paarden en kamelen) dwars door de stad en de sahara van Hammam-Sousse. Over kamelen gesproken.  Is er op het strand weinig vertier, in de stad Sousse wel. Zoals de Kamelenmarkt. Net als bij onze vlooienmarkt zonder vlooien de Kamelenmarkt is zonder kamelen. Wel namaak. "Kijken, kijken, niet kope..." is het hier het motto. Je wordt hier bijna de winkels ingesleurd. Afdingen is hier de sport. En als je doorloopt word je in onvervalst Nederlands voor alles uitgemaakt. 

     

Wil je het echte TunesiŽ leren kennen dan moet je verder het land in. Diverse (dure) excursies voeren je door het land van Ali Baba en de zeven rovers. Wij kozen voor de dagexcursie. Van Sousse naar de rand van het zand, de echte Sahara. Onderweg langs miljoenen olijfbomen, amandelbomen en cactussen. Dwars door de heilige plaats Kairouan. Midden in het verlaten land, bij El Djem, doemt ineens een groot middeleeuws amfitheater op. Er wordt ons weinig tijd gegund om deze uitgebreid te bezoeken. Een dag is kort. De volgende stop is Mahres aan een meer dat een toeristenplaats moet worden. Voorlopig staan er wat verbogen lantaarnpalen, en dat zie je ook niet alle dagen. Gabes is een oase waar we door een koetsier ("allemachtig tachtig is prachtig" doorheen worden gescheurd. In Matmata zijn holwoningen. Heerlijk koel in de zomer en warm in de winter. De bewoners willen geen moderne huizen, toch ontdekken we dat er stopcontacten zijn. Een vrouw kookt de hele dag een potje. Toch alleen maar voor de toeristen? We bevinden ons op de grens tussen de stenen woestijn  en de zanderige Sahara. We zien steeds meer kamelen. En uiteraard gaan we zelf ook op het dier met de bulten. De hitte valt mee. De terugweg voert ons door "donker Afrika". Het leven speelt zich voornamelijk op straat af. Hele families zitten voor hun krakkemikkige huisjes (met slechts een gloeilampje). In het cafť mogen alleen mannen komen, die naast drinken aan de waterpijp lurken. Er zijn maar weinig asfaltwegen. Op de groene delen tussen het dorre land worden meloenen verbouwd. 730 kilometer duurde de tocht maar wat een indrukken. 

         

Maar dit alles valt in het niet bij de ontmoeting met een plaatselijke inwoner die we op het strand ontmoet hebben. TunesiŽrs blijken heel gastvrij. We mogen het huis van onze Ďvriendí zien. We worden ontvangen als koningen. De huizen blijken groter dan verwacht. Achter een gordijn (de buitendeur) is een groot binnenplein met eromheen allemaal kamers waar de familieleden wonen. Daarna worden we aan het hele dorp voorgesteld. Maar na een bezoek aan een disco gaat hij te ver. De Tunesier wil ons alles laten betalen. Dan komt de armoede van de mensen boven. Dat ondervinden we zelf aan den lijve als we de overdekte winkelstraten (Soukhs) binnentrekken. Er wordt van alle kanten aan ons getrokken. Een slager heeft hier de koeienkoppen op straat liggen. Op vrijdag is hier de heilige dag maar voor toeristen gaan de deuren wagenwijd open. Want geld stinkt niet. Dankzij onze Tunesische vriend maken we een onvergetelijke Tunesische avond mee. Een concert van de Ďbeste zanger van TunesiŽí in de openlucht. Vier Nederlanders in een zaal vol Afrikanen. We krijgen een koninklijke behandeling. We gaan zelfs onder politiebegeleiding naar de wc. Het publiek is uitzinnig op de typische Oosterse klanken. Maar het concert is alleen weggelegd voor de rijkere TunesiŽr. 

Het nationale gerecht van het land is Couscous. Maar ook de briks (gevuld deeg) is niet versmaden. De Tunesische keuken is niet slecht, de prijs een prikje maar de hygiŽne laat veel te wensen over.  Zo eten we in een restaurant waar de kok nog nooit van bestek heeft gehoord en zelf een smerig schort aan heeft. We doen nog een culinaire ontdekking, de cactussen langs de wegen blijken eetbaar. Overigens een tip: harissa-saus blijkt heter dan sambal. Bier is nauwelijks verkrijgbaar. Vanwege het geloof. 

De vakantie wordt afgesloten met een Fakir-show op het dakterras van het hotel. We vallen af van hun geloof want we drinken bier. Maar de neuzen van de TunesiŽrs mogen dan vijf keer per dag naar Mekka staan, niet iedereen doet hier aan mee. Dit is TunesiŽ, een land op de grens tussen Oost en West. Het was een ongelooflijk avontuur. 

                                                                                                                          

c 1998